Stadsrekening 2016
PCPortal

Indicatoren

Realisatie 2015

Doelstelling 2016

Realisatie 2016

Vergroten van het veiligheidsgevoel van de Nijmeegse burger

1.1     % dat zich vaak of soms onveilig voelt in de woonbuurt, voor de wijken waar de gemeente samen met andere partners extra inspanningen verricht op het gebied van veiligheid

23%

-%

1.2     % dat zich vaak of soms onveilig voelt in de woonbuurt, voor heel Nijmegen

16,5%

-%

Reductie van het aantal incidenten

2.1    Aantal aangiften woninginbraak (pogingen)

141

< 287

109

2.2    Aantal aangiften woninginbraak (geslaagde inbraken)

537

< 737

565

2.3    Aantal aangiften auto-inbraak

1.318

< 1.451

1040

2.4    % dat in de woonbuurt vaak overlast van jongeren ervaart, voor de wijken waar de gemeente samen met andere partners extra inspanningen verricht op het gebied van veiligheid)

19%

-%

2.5    % dat in de woonbuurt vaak overlast van jongeren ervaart, voor heel Nijmegen

12%

-%

2.6    Recidivepercentage voor zwaarste casussen in Veiligheidshuis (top-150)

Nb

 -

-

2.7    Aantal meldingen bij de Brandweer

1.485

< <1.560

1477

Toelichting
De indicatoren sluiten aan bij de gewenste maatschappelijke opbrengst: een stad waarin burgers zich in hun woon- en werkomgeving en op straat veilig voelen. In zoverre relevant wordt in dit hoofdstuk per indicator ook geduid wat de betreffende indicator zegt over de grip die gemeente en veiligheidspartners hebben op doelgroepen die een groot aandeel hebben in criminaliteit of ernstige overlast. Daarbij past overigens de notie dat er nooit één-op-één een relatie valt te leggen tussen gemeentelijke inspanningen en cijfermatige resultaten. Daarvoor zijn de factoren die inwerken op criminaliteit en overlast te complex.

1.1 en 1.2. Bron: Nijmeegse Burgerpeiling
Door de tijdreeks voor onveiligheidsgevoelens in alle wijken af te zetten tegen die voor de onveiligheidsgevoelens in de wijken waar extra inspanningen op het gebied van veiligheid plaatsvinden, geeft dat een beter zicht op wat we daarmee bereiken.

De burgerpeiling vindt een keer in de twee jaar plaats. Het laatste peiljaar was 2015. De volgende peiling is eerst in 2017. Voor het jaar 2016 zijn dus geen gegevens beschikbaar.

In de aandachtsgebieden voelde zich bij de laatste peiling in 2015 23% in de woonbuurt vaak of soms onveilig. In het peiljaar 2013 was dat 25% in 2013 en in peiljaar 2011 nog 26%. Peiljaar 2015: 16,5% voelt zich in de woonbuurt vaak of soms onveilig (was 18% in 2013 en 19% in 2011). De uitkomsten voor 2015 waren dus gunstiger dan het geformuleerde doel, waarbij we bovendien een constante daling zagen in de onveiligheidsgevoelens, zowel in de aandachtsgebieden als in de rest van Nijmegen, ten opzichte van de twee daaraan voorafgaande peiljaren.

2.1 en 2.2. Bron: politieregistratie
Woninginbraak behoort tot de delicten waarvan bekend is dat een relatief groot deel door veelplegers wordt gepleegd. Daarom is deze indicator ook een aanwijzing voor de mate waarin de gemeente en haar partners grip hebben op deze groep. Onderscheid tussen pogingen en geslaagde inbraken is van belang. Inspanningen   gericht op meer inbraakpreventie kunnen zich vertalen in een andere verhouding tussen het aantal pogingen   en geslaagde inbraken.

Het aantal geregistreerde woninginbraken was in 2015 en 2016 fors lager dan in de jaren daarvoor. In 2016 is het aantal ongeveer even hoog als in 2015 (674 respectievelijk 678). Ten opzichte van 2012 en 2013 (respectievelijk 1.447 en 1.335 geregistreerde woninginbraken) is het aantal woninginbraken in Nijmegen meer dan gehalveerd is. Het aantal voor 2016 is gunstiger dan het geformuleerde doel.

Bij 16% van de in 2016 geregistreerde woninginbraken ging het om pogingen tot woninginbraak. In de jaren daarvoor was het aandeel pogingen hoger (21-29%). Dat betekent dat het aantal geslaagde woninginbraken in 2016 wat hoger is dan in 2015 (565 respectievelijk 537). Bevolkingsonderzoek - de landelijke Veiligheidsmonitor 2015 - laat zien dat Nijmegenaren ten opzichte van de benchmarksteden een gemiddeld aantal technische maatregelen tegen woninginbraak toepassen. Gevraagd is naar de volgende vier maatregelen: extra veiligheidssloten of grendels op buitendeuren, (rol)luiken voor ramen en/of deuren, buitenverlichting en een alarminstallatie. Gemiddeld passen Nijmegenaren tussen de 1 en 2 maatregelen toe.

2.3 Bron: politieregistratie
Auto-inbraak behoort eveneens tot de delicten waarvan bekend is dat een relatief groot deel door veelplegers wordt gepleegd. Daarom is ook deze indicator een aanwijzing voor de mate waarin de gemeente en haar partners grip hebben op deze groep. Het aantal geregistreerde auto-inbraken daalde fors na een piek in 2013 (1726). In 2016 is het aantal (1040)  ruim 20% lager dan in 2015 en 40% lager dan in 2013. Het aantal voor 2016 is gunstiger dan het geformuleerde doel.

2.4 Bron: Nijmeegse Burgerpeiling
Overlast van (groepen) jongeren is één van de meest genoemde redenen voor onveiligheidsgevoelens in de woonbuurt. De burgerpeiling vindt een keer in de twee jaar plaats. Het laatste peiljaar was 2015. De volgende peiling is eerst in 2017. Voor het jaar 2016 zijn dus geen gegevens beschikbaar.

Bij de laatste peiling in 2015 waren de meest genoemde redenen voor de onveiligheidsgevoelens: mensen in de buurt die men vanwege hun gedrag niet vertrouwt (door 10% genoemd), groepen jongeren op straat (7%), donkere/slecht verlichte plaatsen (7%), drugsdealers/drugsverslaafden (6%), stille/afgelegen plaatsen (5%) en de criminaliteit in de buurt (4%). In 2011 was jongerenoverlast nog de meest genoemde reden voor onveiligheidsgevoelens.

Bij de peiling in 2015 is jongerenoverlast iets minder vaak genoemd als één van de belangrijkste buurtproblemen (door 5% van de Nijmegenaren tegenover 6% in 2013 en 2011) en minder vaak genoemd als één van de belangrijkste stadsproblemen (door 2% van de Nijmegenaren in 2013 en 2015 tegenover 5% in 2011).

De gebieden waar extra inspanningen op het gebied van veiligheid plaatsvinden (de aandachtsgebieden), zijn ook gebieden waar relatief veel jongerenoverlast speelt. En de inspanningen daar zijn dan ook onder meer gericht op het terugdringen van die jongerenoverlast. Het percentage bewoners hier dat in de woonbuurt vaak
overlast van jongeren ervaart ligt al sinds 2011 stabiel op 19%.

2.5 Bron: Nijmeegse Burgerpeiling
Door de tijdreeks voor ervaren jeugdoverlast in alle wijken af te zetten tegen die voor de ervaren jeugdoverlast in de wijken waar extra inspanningen op het gebied van veiligheid plaatsvinden, geeft dat een beter zicht op wat we met die extra inspanningen bereiken. Een andere reden om deze indicator op te nemen is dat niet alle inspanningen gericht op jeugdoverlast gebiedsgebonden zijn. Denk hierbij aan de aanpak van risicojongeren en jeugdgroepen via het Veiligheidshuis.

De burgerpeiling vindt een keer in de twee jaar plaats. Het laatste peiljaar was 2015. De volgende peiling is eerst in 2017. Voor het jaar 2016 zijn dus geen gegevens beschikbaar. Uit de voorgaande peiljaren blijkt het percentage met de indruk dat jongerenoverlast in de buurt vaak voorkomt vrij stabiel te zijn. In heel Nijmegen ervoer bij de laatste peiling in 2015 12% in de woonbuurt vaak overlast van jongeren. In 2013 was dat eveneens 12%. In beide peilingen dus 1 procentpunt onder de doelstelling. In het peiljaar 2011 was dat nog 13%.

2.6 Bron: registratie Veiligheidshuis
Deze gegevens zijn nog lastig leverbaar, omdat het landelijk registratiesysteem waarmee in het Veiligheidshuis wordt gewerkt geen recidive-informatie genereert. Bovendien is recidivemeting maar een onderdeel van de mogelijke meerwaarde van het Veiligheidshuis bij complexe casuïstiek.

Daarom hebben we ervoor gekozen voor een rendementsanalyse om een indicatie te krijgen over de efficiëntie van het Veiligheidshuis. De resultaten hiervan zijn begin 2016 opgeleverd en laten zien dat het Veiligheidshuis een effectief en kostengunstig instrument is, doordat het complexe casussen oplost door een gecoördineerde aanpak. De (extra) kosten van coördinatie bedragen ongeveer 1,5 % van de trajectkosten. Een succesvol traject kan een doorlooptijd van 2-4 jaar hebben, afhankelijk van de complexiteit, c.q. hardnekkigheid van de casus. Als casussen succesvol zijn afgesloten worden forse maatschappelijke vervolgkosten voorkomen (circa € 350 duizend per casus). In succesvolle casussen zorgt € 1,- aan inzet door het Veiligheidshuis voor een besparing van € 70,- aan vervolgkosten. Ook bij niet-succesvolle casuïstiek blijkt dat het Veiligheidshuis voor besparing zorgt. Door afschaling van trajecten die niet werken staat tegenover € 1,- aan inzet door het Veiligheidshuis een besparing van € 67,- aan niet-succesvolle interventies.

Behalve kosteneffectiviteit wordt er ook anderszins rendement behaald. Bij 9 van de 11 onderzochte casussen leidde de coördinatie vanuit het Veiligheidshuis tot aanzienlijke verbetering, en in 7 casussen zelfs tot het stoppen van recidive.

Met de Stadsbegroting 2018-2021 gaan we indicator 2.6 dan ook aanpassen. Om de twee jaar zullen we dan een rendementsanalyse uitvoeren en de opbrengst daarvan vertalen in een indicator voor kosteneffectiviteit en een indicator voor het maatschappelijke rendement van het Veiligheidshuis.

2.7 Bron: registratie Brandweer
De score van 2016 is nagenoeg gelijk aan die van 2015. Het aantal voor 2016 is gunstiger dan het geformuleerde doel.